Enneagram

De Enneagram-handtekening:

 

Het Enneagram

Het Enneagram is een persoonlijkheidsmodel dat zich met bewust of onbewust gedrag bezighoudt. De modellen geven de motivatie aan van waaruit in veel omstandigheden gehandeld of gedacht wordt. Volgens het Enneagram is het ene persoonlijkheidstype niet beter dan het andere type. Elk type heeft eigenschappen die doeltreffend kunnen zijn.

 
         

Negen Enneagram-typen worden beschreven vanuit de manier waarop ze in het leven staan. Het model beoogt inzicht te geven in het eigen karakter en de relaties met anderen. Het Enneagram probeert ook bewustwording te creëren voor de aanleg die elk type heeft voor hogere kwaliteiten, zoals empathie, alwetendheid en liefde.

Elk van de negen persoonlijkheidstypen van het Enneagram heeft zich gevormd rond een centrale passie. De passie en de preoccupatie die hieruit voortkomt, bepalen in dit model de levensbeschouwing van elk van de negen typen.

Het Enneagram gaat over de terugkeer naar de essentie. Elke passie heeft in een aspect van de hogere deugd van de essentie zijn tegenpool. De mens wordt verondersteld op zoek te zijn naar dat aspect van de hogere deugd dat we missen.

Het diagram bestaat uit negen basismodellen van ons gedrag. Elk mens herkent de negen modellen meestal wel in zijn eigen leven, maar er is er bij de meesten wel één die dominant is. Het dominante model verklaart waarom wij ons op een bepaalde manier gedragen of een bepaalde kijk op de wereld hebben.

De typering van elk van de negen modellen is een beschrijving van behoeftes, aannames en positieve en minder positieve drijfveren om situaties in het leven aan te gaan. Het type bepaalt in belangrijke mate de bril die opgezet is om problemen te bezien.

Inzicht in het Enneagram beoogt mensen te helpen zichzelf en anderen te begrijpen, en in het bijzonder waarom mensen op een bepaalde manier op elkaar reageren.

Vult u het formulier volledig in, sla geen vragen over. Maak bij elke vraag een keuze tussen A of B. Als u twijfelt over een bepaalde vraag kiest u wat het meest bij u past. Succes.

   

Naam          Vul je voor en achternaam in.

1    A   Ik ben over het algemeen romantisch en fantasierijk.
  B Ik ben over het algemeen pragmatisch en nuchter.
2 A Meestal ga ik de confrontatie aan.
  B Meestal ga ik confrontaties uit de weg.
3 A Ik ben meestal diplomatiek, charmant en ambitieus.
  B Ik ben meestal direct, formeel en idealistisch.
4 A Meestal ben ik geconcentreerd en intens.
  B Meestal ben ik spontaan en vrolijk.
5 A Ik ben een gastvrij persoon en maak graag nieuwe vrienden.
  B Ik ben erg op mezelf en ga niet veel met anderen om.
6 A Het is moeilijk om me te ontspannen en te stoppen me zorgen te maken over mogelijke problemen.
  B Het is moeilijk om me ‘op de kast te krijgen’ over mogelijke problemen.
7 A Ik heb een ‘straatvechters’ mentaliteit.
  B Ik ben een hoogstaande idealist.
8 A Ik wil graag mensen laten zien hoe veel ik om ze geef.
  B Ik bewaar graag een zekere afstand tot mensen.
9 A Als een nieuwe uitdaging zich aandient, vraag ik me gewoonlijk af of ik er wat aan heb.
  B Als een nieuwe uitdaging zich aandient, vraag ik me gewoonlijk af of ik het leuk zal vinden.
10 A Ik heb de neiging om me te veel op mezelf te concentreren.
  B Ik heb de neiging om me te veel op anderen te concentreren.
11 A Anderen rekenen op mijn inzicht en kennis.
  B Anderen rekenen op mijn kracht en besluitvaardigheid.
12 A Ik kom op anderen over als te onzeker van mezelf.
  B Ik kom op anderen over als te zeker van mezelf.
13 A Ik ben meer relatiegericht dan doelgericht.
  B Ik ben meer doelgericht dan relatiegericht.
14 A Ik ben niet zo goed in staat om voor mezelf op te komen.
  B Ik zeg wat ik op mijn hart heb – ik zeg dingen waar anderen van dromen het te durven zeggen.
15 A Ik vind het moeilijk om te stoppen alle alternatieven te bekijken en een definitieve beslissing te nemen.
  B Ik vind het moeilijk om dingen op zijn beloop te laten en flexibel te zijn.
16 A Ik heb de neiging om terughoudend en aarzelend te zijn.
  B Ik heb de neiging om vrijpostig en overheersend te zijn.
17 A Mijn terughoudendheid om ergens bij betrokken te worden, heeft me in moeilijkheden met anderen gebracht.
  B Mijn drang om mensen afhankelijk van me te maken, heeft me in moeilijkheden met hen gebracht.
18 A Gewoonlijk ben ik in staat om mijn gevoelens opzij te schuiven en de klus te klaren.
  B Gewoonlijk moet ik eerst door mijn gevoelens ‘heen werken’ voordat ik in staat ben om iets te doen.
19 A In het algemeen ben ik methodisch en voorzichtig.
  B In het algemeen ben ik avontuurlijk en neem ik risico’s.
20 A Meestal ben ik ondersteunend en gul en zoek ik diepgaand contact met anderen.
  B Meestal ben ik serieus en gereserveerd en treed ik graag in discussie.
21 A Vaak vind ik dat ik de ‘rots in de branding’ moet zijn.
  B Vaak vind ik dat ik perfect moet presteren.
22 A Ik ben in het bijzonder geïnteresseerd in het stellen van moeilijke vragen en het bewaren van mijn onafhanke­lijk­heid.
  B Ik ben in het bijzonder geïnteresseerd in het bewaren van mijn stabiliteit en gemoedsrust.
23 A Ik ben enigszins te cynisch en sceptisch.
  B Ik ben enigszins te ‘soft’ en sentimenteel.
24 A Ik denk vaak dat ik iets beters misloop.
  B Ik ben vaak bang dat als ik niet oplet, iemand misbruik van mij maakt.
25 A Mijn gewoonte me op een afstand te houden, irriteert anderen.
  B Mijn gewoonte anderen te vertellen wat ze moeten doen, irriteert ze.
26 A Gewoonlijk kan ik mijn problemen goed van me afzetten.
  B Gewoonlijk als ik problemen heb, trakteer ik mezelf op iets leuks.
27 A Ik reken op mijn vrienden en zij weten dat ze ook op mij kunnen rekenen.
  B Ik reken niet op anderen; ik doe alles zelf.
28 A Ik ben meestal afstandelijk en afwezig.
  B Ik ben meestal humeurig en in mezelf gekeerd.
29 A Ik vind het leuk mensen uit te dagen en wakker te schudden.
  B Ik vind het heerlijk mensen te troosten en te kalmeren.
30 A In het algemeen ben ik extravert en sociaal.
  B In het algemeen ben ik oprecht en zelfgedisciplineerd.
31 A Gewoonlijk voel ik schroom om mijn kwaliteiten te laten zien.
  B Gewoonlijk laat ik graag aan anderen zien waar ik goed in ben.
32 A Mijn persoonlijke interesses nastreven is belangrijker voor me dan comfort en zekerheid.
  B Comfort en zekerheid zijn belangrijker voor me dan het nastreven van mijn persoonlijke interesses.
33 A Bij conflicten met anderen heb ik de neiging om me terug te trekken.
  B Conflicten met anderen ga ik zelden uit de weg.
34 A Ik geef te snel toe en laat anderen met me sollen.
  B Ik ben te ontoegeeflijk en veeleisend tegenover anderen.
35 A Ik word gewaardeerd om mijn eeuwige optimisme en grote gevoel voor humor.
  B Ik word gewaardeerd om mijn stille kracht en uitzonderlijke gulheid.
36 A Ik wil graag een goede indruk op anderen maken.
  B Ik vind het niet zo belangrijk om een goede indruk op anderen te maken.
37 A Ik ben trots op mijn doorzettingsvermogen en gezond verstand.
  B Ik ben trots op mijn originaliteit en vindingrijkheid.
38 A In wezen ben ik gemakkelijk in de omgang en meegaand.
  B In wezen ben ik gedreven en assertief.
39 A Ik heb hard gewerkt om geaccepteerd en leuk gevonden te worden.
  B Geaccepteerd en leuk gevonden worden, heeft geen hoge prioriteit voor mij.
40 A In reactie op druk van anderen trek ik me steeds verder terug.
  B In reactie op druk van anderen word ik agressiever.
41 A Mensen zijn in mij geïnteresseerd omdat ik sociaal, onderhoudend en geïnteresseerd in ze ben.
  B Mensen zijn in mij geïnteresseerd omdat ik stil, ongewoon en diepzinnig ben.
42 A Plicht en verantwoordelijkheid zijn belangrijke waarden voor mij.
  B Harmonie en acceptatie zijn belangrijke waarden voor mij.
43 A Ik probeer mensen te motiveren door middel van het maken van grootse plannen en het doen van grootse beloften.
  B Ik probeer mensen te motiveren door ze te wijzen op de consequenties van het niet volgen van mijn advies.
44 A Ik laat zelden mijn emoties zien.
  B Ik laat vaak mijn emoties zien.
45 A Details zijn niet een van mijn sterkste punten.
  B Ik ben erg goed in details.
46 A Meer dan eens bedenk ik hoe verschillend ik eigenlijk van mijn vrienden ben.
  B Meer dan eens bedenk ik hoeveel ik eigenlijk met mijn vrienden gemeen heb.
47 A Als situaties te intens worden, heb ik de neiging om op de achtergrond te blijven.
  B Als situaties te intens worden, heb ik de neiging er middenin te gaan staan.
48 A Ik sta altijd achter mijn vrienden, ook als ze verkeerd zijn geweest.
  B Ik sluit geen compromissen met betrekking tot wat juist is, zelfs niet omwille van vriendschap.
49 A Ik ben een goede ondersteuner.
  B Ik ben een zeer gemotiveerde ‘go-getter’.
50 A Als ik zorgen heb, heb ik de neiging om over mijn problemen te blijven tobben.
  B Als ik zorgen heb, kan ik mezelf meestal goed met andere dingen afleiden.
51 A Over het algemeen heb ik sterke overtuigingen en een gevoel over hoe dingen zouden moeten zijn.
  B Over het algemeen heb ik serieuze twijfels en vragen bij hoe dingen lijken te zijn.
52 A Ik creëer problemen met anderen door pessimistisch en klagerig te zijn.
  B Ik creëer problemen met anderen door bazig en controlerend te zijn.
53 A Meestal ga ik op mijn gevoel af en laat alles ‘komen zoals het komt’
  B Meestal ga ik niet op mijn gevoel af uit vrees dat het voor nog meer problemen zorgt.
54 A Het is natuurlijk voor me om het middelpunt van de belangstelling te zijn.
  B Het voelt vreemd voor me in het middelpunt van de belangstelling te staan.
55 A Ik ben voorzichtig en probeer onvoorziene problemen voor te zijn.
  B Ik ben spontaan en improviseer liever op het moment dat zich problemen voordoen.
56 A Ik kan me erg opwinden als mensen niet voldoende waardering tonen voor wat ik voor ze heb gedaan.
  B Ik kan me erg opwinden als mensen niet luisteren naar wat ik zeg.
57 A Het is belangrijk voor me om onafhankelijk te zijn en op mezelf te kunnen vertrouwen.
  B Ik vind het belangrijk om gewaardeerd en bewonderd te worden.
58 A In discussies met vrienden heb ik de neiging om mijn mening aan hen op te dringen.
  B In discussies met vrienden heb ik de neiging om mijn mening voor me te houden om geen kwaad bloed te zetten.
59 A Ik ben vaak bezitterig ten opzichte van diegenen waar ik van houd; ik heb moeite om hen zichzelf te laten zijn.
  B Ik heb vaak diegenen van wie ik houd ‘uitgeprobeerd’ om te kijken of ze er echt voor me zijn.
60 A Een van mijn sterkste punten is organiseren en de dingen gedaan krijgen.
  B Een van mijn sterkste punten is het vinden van nieuwe ideeën en anderen er enthousiast voor te maken.
61 A Ik ben meestal gedreven en erg hard voor mezelf.
  B Ik ben meestal te emotioneel en nogal ongedisciplineerd.
62 A Ik probeer mijn leven snel, intens en spannend te houden.
  B Ik probeer mijn leven regelmatig, stabiel en kalm te houden.
63 A Ofschoon ik successen heb, neig ik te twijfelen aan eigen kunnen.
  B Ofschoon ik tegenslagen ervaren heb, heb ik veel vertrouwen in eigen kunnen.
64 A Ik heb de neiging om in mijn gevoelens te wroeten en ze lang vast te houden.
  B Ik heb de neiging om mijn gevoelens te minimaliseren en er niet te veel aandacht aan te besteden.
65 A Ik schenk veel mensen aandacht en verzorging.
  B Ik geef veel mensen richting en motivatie.
66 A Ik ben enigszins serieus en strikt voor mezelf.
  B Ik ben enigszins makkelijk en toegeeflijk voor mezelf.
67 A Ik ben zelfbewust en gedreven om uit te blinken.
  B Ik ben bescheiden en tevreden als ik alles in mijn eigen tempo kan doen.
68 A Ik ben trots op mijn duidelijkheid en objectiviteit.
  B Ik ben trots op mijn betrouwbaarheid en toewijding.
69 A Ik neem veel tijd om in mezelf te kijken; mijn gevoelens begrijpen is erg belangrijk voor me.
  B Ik sta niet lang stil bij mijn gevoelens; het is belangrijk voor me om dingen gedaan te krijgen.
70 A Over het algemeen zie ik mezelf als een zonnig, nonchalant persoon.
  B Over het algemeen zie ik mezelf als een serieus, waardig persoon.
71 A Ik heb een behendige geest en tomeloze energie.
  B Ik heb een zorgzaam hart en diepe toewijding.
72 A Ik streef naar activiteiten die een substantieel potentieel hebben voor beloning en persoonlijke erkenning.
  B Ik ben bereid beloning en persoonlijke erkenning op te geven als ik werk kan doen waarin ik echt geïnteresseerd ben.
73 A Sociale verplichtingen nakomen staat zelden bovenaan mijn agenda.
  B Meestal neem ik mijn sociale verplichtingen erg serieus.
74 A In de meeste situaties geef ik er de voorkeur aan de leiding te nemen.
  B In de meeste situaties geef ik er de voorkeur aan dat een ander de leiding neemt.
75 A Door de jaren heen zijn mijn waarden en levensstijl meerdere keren veranderd.
  B Door de jaren heen zijn mijn waarden en levensstijl vrijwel constant gebleven.
76 A Kenmerkend voor mij is dat ik niet veel zelfdiscipline heb.
  B Kenmerkend voor mij is dat ik weinig empathisch ben.
77 A Vaak voel ik me emotioneel te kwetsbaar om bij andere mensen te zijn.
  B Vaak heb ik het gevoel dat mijn opofferingen niet worden gewaardeerd.
78 A Ik heb de neiging om overal het slechtste van te denken.
  B Ik heb de neiging om te denken dat alles wel op zijn pootjes terecht zal komen.
79 A Mensen vertrouwen me omdat ik zelfverzekerd ben en ze kan beschermen.
  B Mensen vertrouwen me omdat ik eerlijk ben en doe wat het beste is.
80 A Vaak ben ik zo met mijn eigen dingen bezig dat ik van anderen geïsoleerd raak.
  B Vaak ben ik zo met anderen bezig dat ik mijn eigen zaken verwaarloos.
81 A Als ik een vreemde ontmoet, ben ik meestal evenwichtig en ingehouden.
  B Als ik een vreemde ontmoet, ben ik meestal gezellig en onderhoudend.
82 A Over het algemeen neig ik tot pessimisme.
  B Over het algemeen neig ik tot optimisme.
83 A Ik geef er de voorkeur aan om in mijn eigen kleine wereldje te vertoeven.
  B Ik geef er de voorkeur aan om de wereld te laten weten dat ik er ben.
84 A Ik word vaak overvallen door nervositeit, onzekerheid en twijfel.
  B Ik word vaak overvallen door boosheid, perfectie en ongeduld.
85 A Ik realiseer me dat ik vaak te persoonlijk en te intiem ben.
  B Ik realiseer me dat ik vaak te koel en afstandelijk ben.
86 A Ik heb kansen gemist omdat ik ze niet aandurfde.
  B Ik heb kansen gemist omdat ik vaak teveel wilde.
87 A Ik heb over het algemeen lang nodig om tot actie te komen.
  B Ik kom over het algemeen snel in actie.
88 A Ik heb meestal moeite om beslissingen te nemen.
  B Ik heb zelden moeite om beslissingen te nemen.
89 A Ik heb de neiging om te agressief te zijn met anderen.
  B Ik heb de neiging om niet genoeg voor mezelf op te komen.
90 A Normaliter ben ik gelijkmatig van humeur.
  B Normaliter ben ik aan sterke gemoedschommelingen onderhevig.
91 A Als ik niet zeker ben van wat te doen, vraag ik vaak advies aan anderen.
  B Als ik niet zeker ben van wat te doen, probeer ik verschillende dingen om te kijken wat het beste voor me werkt.
92 A Ik ben vaak ongerust dat ik uitgesloten word van andermans activiteiten.
  B Ik ben vaak ongerust dat andermans activiteiten me zullen afhouden van wat ik moet doen.
93 A Typerend voor me is om, als ik kwaad word, mensen ‘aan te vallen’.
  B Typerend voor me is om, als ik kwaad word, afstand te nemen.
94 A Ik heb moeite om in slaap te vallen.
  B Ik val gemakkelijk in slaap.
95 A Ik heb vaak geprobeerd uit te vinden hoe ik anderen nader kan komen.
  B Ik heb vaak geprobeerd uit te vinden wat anderen van me willen.
96 A Ik ben meestal afgemeten, op de man af en weloverwogen.
  B Ik ben meestal snel opgewonden, een vlugge prater en geestig.
97 A Vaak heb ik mijn mening voor me gehouden als ik anderen een fout zag maken.
  B Vaak help ik andere mensen hun fouten te laten inzien.
98 A Het grootste deel van mijn leven ben ik een stormachtig persoon geweest, met tal van heftige gevoelens.
  B Het grootste gedeelte van mijn leven ben ik standvastig en kalm, waarin ‘stille wateren diepe gronden’ hebben.
99 A Als ik mensen niet aardig vind, probeer ik gewoonlijk vriendelijk te blijven, ongeacht mijn gevoelens.
  B Als ik mensen niet aardig vind, laat ik ze dat meestal op de een of andere manier weten.
100   A Veel van mijn problemen met anderen worden veroorzaakt door mijn lichtgeraaktheid en ik alles te persoonlijk opvat.
  B Veel van mijn problemen met anderen worden veroorzaakt door mijn gebrek aan interesse in sociale omgangsvormen.
101 A Mijn manier is om in te springen en mensen te redden.
  B Mijn manier is om mensen te laten zien hoe ze zichzelf kunnen redden.
102 A In het algemeen geniet ik ervan om mezelf helemaal, tot het uiterste toe, te laten gaan.
  B In het algemeen verlies ik niet graag controle over mezelf.
103 A Ik ben constant bezig met alles beter te doen dan anderen.
  B Ik ben constant bezig om het anderen naar de zin te maken.
104 A Mijn gedachten zijn in het algemeen speculatief, voortgebracht door mijn fantasie en nieuwsgierigheid.
  B Mijn gedachten zijn in het algemeen praktisch – eenvoudig om dingen lopende te houden.
105 A Een van mijn sterkste punten is mijn vermogen om leiding over situaties te nemen.
  B Een van mijn sterkste punten is mijn vermogen om innerlijke gevoelens te omschrijven.
106 A Ik probeer de dingen te doen zoals ze horen, zelfs als dit mensen ongemakkelijk maakt.
  B Ik vind het vervelend om onder druk gezet te worden, dus dat doe ik ook niet bij anderen.
107 A Ik ben vaak trots op het feit hoe belangrijk ik ben in andermans leven.
  B Ik ben vaak trots op mijn animo en openheid voor nieuwe ervaringen.
108 A Ik heb het gevoel dat ik op anderen een goede indruk maak, soms zelfs bewonderenswaardig.
  B Ik heb het gevoel dat ik op anderen ongewoon overkom, soms zelfs raar.
109 A Ik doe meestal wat ik moet doen.
  B Ik doe meestal wat ik wil doen.
110 A Over het algemeen houd ik van stressvolle, zelfs moeilijke situaties.
  B Over het algemeen heb ik een hekel aan stressvolle, zelfs moeilijke situaties.
111 A Ik ben trots op mijn vermogen om flexibel te zijn; wat verlangd wordt of belangrijk is verandert vaak.
  B Ik ben trots op mijn vermogen om een standpunt in te nemen; ik houd vast aan wat ik geloof.
112 A Mijn stijl neigt naar matigheid en soberheid.
  B Mijn stijl neigt naar grootsheid en overdrevenheid.
113 A Mijn eigen gezondheid en welzijn hebben moeten lijden onder mijn sterke verlangen anderen te helpen.
  B Mijn relaties met anderen hebben moeten lijden onder mijn sterke verlangen om eerst voor mezelf te zorgen.
114 A In het algemeen ben ik te open en naïef.
  B In het algemeen ben ik te behoedzaam en voorzichtig.
115 A Ik heb soms mensen afgeschrikt door te agressief te zijn.
  B Ik heb soms mensen afgeschrikt door te strikt te zijn.
116 A Anderen tot dienst zijn heeft een hoge prioriteit voor me.
  B Alternatieve manieren vinden om dingen anders te zien en te doen heeft een hoge prioriteit voor me.
117 A Kenmerkend voor mij is mijn gelijkmatige karakter.
  B Kenmerkend voor mij zijn mijn sterk wisselende gemoedstoestanden.
118 A Situaties die diepe, sterke emoties naar boven halen, spreken me aan.
  B Situaties die me rustig maken en op mijn gemak stellen, spreken me aan.
119 A Ik ben minder geïnteresseerd in praktische resultaten dan in het nastreven van wat ik interessant vind.
  B Ik ben praktisch ingesteld en verwacht in mijn werk concrete resultaten.
120 A Ik heb een diep verlangen ergens bij te horen.
  B Ik heb een diep verlangen om me evenwichtig te voelen.
121 A In het verleden heb ik waarschijnlijk te veel intimiteit in mijn vriendschappen geëist.
  B In het verleden heb ik waarschijnlijk te veel afstand bewaard in mijn vriendschappen.
122 A Ik heb de neiging aan dingen uit het verleden te blijven denken.
  B Ik heb de neiging constant te anticiperen op wat ik nog ga doen.
123 A Ik heb de neiging mensen als opdringerig en veeleisend te zien.
  B Ik heb de neiging mensen als ongeorganiseerd en onverantwoordelijk te zien.
124 A Over het algemeen heb ik niet veel vertrouwen in mezelf.
  B Over het algemeen vertrouw ik alleen op mezelf.
125 A Ik ben waarschijnlijk te passief en niet betrokken geweest.
  B Ik ben waarschijnlijk te controlerend en manipulatief geweest.
126 A Ik ben regelmatig met mijn handelingen gestopt door gebrek aan zelfvertrouwen.
  B Ik laat zelden mijn twijfels in de weg staan.
127 A Als ik mocht kiezen tussen iets bekends en iets nieuws, koos ik vaak het nieuwe.
  B Over het algemeen kies ik voor dingen waarvan ik weet dat ik ze leuk vind.
128 A Ik heb over het algemeen veel lichamelijk contact om anderen te overtuigen wat ik voor ze voel.
  B Ik heb over het algemeen niet het gevoel dat liefde afhankelijk is van lichamelijk contact.
129 A Wanneer ik iemand met iets moet confronteren, ben ik vaak te bot en direct.
  B Wanneer ik iemand met iets moet confronteren, kom ik vaak niet tot de kern waar het om draait.
130 A Ik word aangetrokken tot onderwerpen die anderen waarschijnlijk verontrustend of zelfs beangstigend vinden.
  B Ik geef er de voorkeur aan mijn tijd niet te verdoen met verontrustende, beangstigende zaken.
131 A Ik kom in problemen met anderen doordat ik te indringend en bemoeizuchtig ben.
  B Ik kom in problemen met anderen doordat ik te ontwijkend en niet communicatief ben.
132 A Ik ben ongerust over het feit dat ik niet de middelen heb om mijn verantwoordelijkheden na te komen.
  B Ik ben ongerust over het feit dat ik niet de discipline heb om me te concentreren op datgene wat me echt bevredigt.
133 A Over het algemeen ben ik een zeer intuïtief, individualistisch persoon.
  B Over het algemeen ben ik een zeer georganiseerd, verantwoordelijk persoon.
134 A Traagheid overwinnen is een van mijn grootste problemen.
  B Niet in staat zijn het langzamer aan te doen, is een van mijn grootste problemen.
135 A Wanneer ik onzeker ben, reageer ik arrogant en geringschattend.
  B Wanneer ik onzeker ben, reageer ik verdedigend en argumenterend.
136 A Ik ben over het algemeen open van geest en bereid om nieuwe dingen te proberen.
  B Ik ben over het algemeen onthullend en bereid mijn gevoelens met anderen te delen.
137 A Naar anderen toe presenteer ik mezelf harder dan ik in werkelijkheid ben.
  B Naar anderen toe doe ik net alsof ik zorgzamer ben dan in werkelijkheid het geval is.
138 A Gewoonlijk volg ik mijn geweten en rede.
  B Gewoonlijk volg ik mijn gevoelens en impulsen.
139 A Serieuze tegenspoed maakt me hard en resoluut.
  B Serieuze tegenspoed ontmoedigt me en maakt me berustend.
140 A Gewoonlijk zorg ik ervoor dat ik een soort ‘veiligheids­net’ heb om op terug te vallen.
  B Gewoonlijk kies ik ervoor om tot het uiterste te gaan en van zo min mogelijk afhankelijk te zijn.
141 A Ik moet sterk zijn voor anderen, dus heb ik geen tijd om bij mijn eigen gevoelens en angsten stil te staan.
  B Ik heb moeite om met mijn eigen gevoelens om te gaan, dus vind ik het moeilijk om sterk te zijn voor anderen.
142 A Ik heb me vaak afgevraagd waarom mensen zich op het negatieve concentreren, terwijl er zoveel moois in het leven is.
  B Ik heb me vaak afgevraagd waarom mensen zo blij zijn, terwijl er zoveel problemen in het leven zijn.
143 A Ik doe mijn uiterste best niet egoïstisch over te komen.
  B Ik doe mijn uiterste best niet als saai over te komen.
144 A Ik ontwijk intimiteit als ik het gevoel heb dat ik overspoeld word door andermans behoeften en eisen.
  B Ik ontwijk intimiteit als ik het gevoel heb dat ik niet aan andermans verwachtingen kan beantwoorden.

 

 
Maak een account aan

Het Werkxyz account geeft u de mogelijkheid om CV's of vacatures te plaatsen en indien gewenst ontvangt u onze nieuwsbrief. »

Vertel het door

Bent u tevreden over onze dienstverlening en kent u iemand die op zoek is naar een baan of kandidaat?